Actualiteiten


Geen behoefte: geen bijdrage in studiekosten

Uit de wet volgt dat kinderen tot 21 jaar van de ouders een bijdrage krijgen om te voorzien in het levensonderhoud. Kinderen kunnen na het 21e levensjaar nog steeds recht hebben op een bijdrage in het levensonderhoud, maar enkel in het geval dat daartoe daadwerkelijk behoefte bestaat. Wanneer is dat dan exact het geval? Dat zal van de omstandigheden van het geval afhangen.


De rechtbank Overijsel heeft op 24 juli 2015 [ECLI:NL:RBOVE:2015:3759) in een zaak het verzoek van een 24 jarige dochter om haar moeder aan te spreken op haar bijdrage in haar studiekosten, afgewezen. De dochter zei nog altijd behoeftig te zijn omdat zij door haar dyslexie, studievertraging had opgelopen. Ook gaf zij aan dat zij niet in staat was om naast haar studie zelf te werken om in het levensonderhoud te voorzien. De dochter beriep zich op de verlengde behoeftigheid uit de wet, maar ook op het echtscheidingsconvenant dat haar ouders voor de echtscheiding hadden getekend. In dit echtscheidingsconvenant was een beding opgenomen waarin werd gesteld dat de ouders allebei voor de helft in de studiekosten zouden bijdragen voor een beroepsopleiding. De moeder stelde echter dat zij geen bijdrage verschuldigd was aan haar dochter.

Ouders moeten totdat het kind 21 jaar is, bijdrage in het levensonderhoud van hun kind. Na de 21-jarige leeftijd geldt dat alleen als het kind daadwerkelijk behoeftig is. Van een kind van 21 wordt echter verwacht dat hij of zij zelf in het levensonderhoud kan voorzien en dus niet behoeftig is. Het kind kan zich dus niet zomaar tot zijn of haar ouders wenden voor een bijdrage in de studiekosten.  Het feit dat een kind niet werkt, brengt niet automatisch mee dat het kind behoeftig is. Het kind zou wel kunnen werken en zou dus wel over het geld kunnen beschikken.

De rechter stelde in deze zaak dat de dochter niet als behoeftig was aan te merken. De dochter was reeds 24 jaar oud en op die leeftijd wordt een bepaalde mate van zelfstandigheid verwacht. Zij zou onafhankelijk van haar ouders, door middel van bijvoorbeeld een bijbaan, in haar eigen levensonderhoud moeten kunnen voorzien. In deze zaak had de dochter een opleidng afgerond (onderwijsassistente niveau 4) maar wilde nog een vervolgopleiding doen. De rechter kon dit begrijpen echter dat betekent niet dat ze nog langer behoeftig was, nu het haar eigen keuze was om een vervolgopleiding te volgen. Het feit dat de dochter stelde door lichamelijke en psychische klachten geen bijbaantje kon hebben naast haar studie, doet daar niet aan af nu zij gekozen had voor een vervolgstudie die niet noodzakelijk was.

Of een kind dus ook na het 21e levensjaar nog behoeftig is, is afhankelijk van de omstandigheden. Duidelijk is wel dat het niet al te snel aangenomen dient te worden.

Deel dit bericht op Facebook