Actualiteiten


Mag een veroordeelde arts weer werken?

Een arts had in 2003 moeite met de wijze waarop zijn echtscheiding en de omgangsregeling verlopen was. De arts had naar eigen zeggen uit boosheid en frustratie over zijn voormalige echtgenote twee drugsverslaafden benaderd en tegen betaling bereid gevonden haar in brand te steken in haar woning. Als gevolg hiervan is zij ernstig verminkt geraakt.

De kinderen van de man en de ouders van het slachtoffer waren getuigen geweest van de gebeurtenissen en getraumatiseerd geraakt. Uit psychologisch en psychiatrisch onderzoek is gebleken dat er bij de arts sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door borderline, narcistische en antisociale aspecten. Op grond daarvan had het hof de arts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De arts is op 8 april 2005 door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar wegens het medeplegen van poging tot moord op zijn ex-echtgenote en het medeplegen van opzettelijke brandstichting. Voor het grootste deel had hij de 15 jaar gevangenisstraf voldaan. De arts kreeg in de periode van detentie een resocialisatieprogramma gericht op het hervatten van zijn werkzaamheden als (alternatief) arts en op grond daarvan was hij in 2012 als basisarts aan het werk gegaan.

De Inspectie Gezondheidszorg merkte de arts echter op en wilde de arts laten schorsen en definitief schrappen uit het BIG-register. De Inspectie vindt dat er in dit geval geen onderscheid gemaakt kan worden tussen privé en beroepsgedragingen, zoals in het medisch tuchtrecht gebruikelijk is. Iemand van het leven proberen te beroven gaat zodanig recht in tegen beroepsnormen als respect voor het leven dat geen patiënt zo’n arts kan vertrouwen, aldus de IGZ.

Het College van Medisch Toezicht oordeelde dat er geen enkel serieus aanknopingspunt was dat de arts op termijn wel weer in staat zou zijn om behoorlijk en professioneel als arts te functioneren. Door de arts is als resultaat van zijn behandeling genoemd het onder controle houden van emoties in de relationele sfeer, maar voor zover dit resultaat al is bereikt achtte het college dat onvoldoende om er vertrouwen in te hebben dat zich geen incidenten meer zouden voordoen, zowel in relationele als professionele sfeer.

Uiteindelijk is de arts wegens zijn geestelijke gesteldheid ongeschikt geacht tot het uitoefenen van het beroep als arts. Ook het stellen van bijzondere voorwaarden vond het college niet voldoende om voor de patiënt veiligheid te waarborgen. De arts heeft de maatregel van doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register opgelegd gekregen.

mr. D. (Danny) Vong
 

Deel dit bericht op Facebook