Actualiteiten


Recht ouders op omgang met kind

De wet stelt dat er een plicht en een recht voor de ouder bestaat om met zijn kind om te gaan, ook na scheiding. Maar hoe ver gaat het recht op omgang? Heeft een oom dit ook, zijn er gronden om omgang op te zeggen? Dat is natuurlijke een reeks van belangrijke vragen waar elke ouder, elk gezin en elke familie een antwoord op wenst te hebben.

Omgang tussen ouders en kinderen na scheiding is een belangrijk en door Europese en internationale verdragen beschermd recht. Dat recht op contact en omgang van het kind met zijn ouders, ook als die niet meer samenwonen, kan op verschillende grondslagen gebaseerd zijn. In de eerste plaats hebben degenen die gezag hebben het daaruit voortvloeiende recht op omgang. Ook het ouderschap zonder gezag leidt tot een recht op omgang, net als het hebben van een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind. Deze nauwe persoonlijke betrekking wordt in de jurisprudentie “family-life” genoemd. De term “family-life” wordt in vrijwel alle gevallen gebruikt.

Het recht op omgang is gebaseerd op een aantal belangrijke beginselen. De autonomie van ouders staat voorop, komen de ouders er niet uit, dan kan de rechter een regeling treffen. Afspraken over de invulling van gezag en omgang moeten nagekomen worden, maar als dit niet lukt kan dit afgedwongen worden. De vraag of het afdwingen van de nakoming in het belang van het kind zou zijn, is erg belangrijk. Als de omstandigheden zijn gewijzigd, kan een ouder een verzoek tot het aanpassen van een afspraak of een door de rechter vastgestelde regeling opnieuw aan de rechter voorleggen, dit is het veranderlijkheidsbeginsel. De autonomie van ouders van wordt beperkt door het beginsel van gezamenlijkheid van gezag. Dragers van gezamenlijk gezag behoren alle belangrijke beslissingen gezamenlijk te nemen, ook als ze niet meer samen één gezin vormen. Het kind heeft recht op een gelijkwaardig ouderschap na scheiding en er is een plicht van ouders om de band met de andere ouder te bevorderen. Het opstellen van een ouderschapsplan is ook verplicht. De relatie tussen iedere ouder en ieder kind wordt, ook na een scheiding, beschermd door normen te stellen voor de relatie tussen ouder en kind, dit is het beschermingsbeginsel.

Daarbij kunnen er ook redenen zijn om het recht op omgang op te zeggen. Zo zou het kunnen zijn dat de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt is voor omgang, het kind dat ouder dan twaalf jaar is ernstige bezwaren heeft tegen de omgang of de omgang is op een andere manier niet goed voor de belangen van het kind.

Het kind heeft niet alleen ten opzichte van zijn ouder, maar ook jegens derden die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staan oftewel als er family-life bestaat tussen de derde en het kind, een recht op omgang. Als de ouders en de derde er onderling niet uitkomen over een omgangsregeling, dan kan de derde een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling indienen. Het kan dan gaan om de grootouders, broer, zus, tantes, ooms en stiefouders. Ook biologische ouders die geen juridisch ouder zijn kunnen een verzoek indienen als er sprake is van family-life tussen hen en het kind. Om aan te tonen dat er sprake is van family-life, moet hij of zij aangeven dat er bijkomende omstandigheden zijn. Bij die bijkomende omstandigheden kan gedacht worden aan hoe vaak per week de derde op het kind past, hoe lang de derde en het kind elkaar kennen en in hoeverre de derde administratieve, financiële of schoolzaken voor het kind regelt. 

David Gloudemans

Deel dit bericht op Facebook