Actualiteiten


Transitievergoeding bij wederzijds goedvinden ?

Bestaat er een recht op transitievergoeding bij een beëindigingsovereenkomst op initiatief van de werkgever?

Voor die vraag stond de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland in een geschil tussen een werknemer en een werkgever die een vaststellingsovereenkomst (beëindigingsovereenkomst) hadden gesloten voor de beëindiging van het dienstverband van werknemer, waarbij het initiatief tot beëindiging afkomstig was van werkgever. In de beëindigingsovereenkomst was geen transitievergoeding overeengekomen.

Werknemer wendde zich na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tot de kantonrechter met een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding. Aan zijn verzoek legde werknemer twee redenen ten grondslag. Allereerst stelt werknemer dat werkgever een transitievergoeding verschuldigd is, op grond van artikel 7:673 BW, omdat de arbeidsovereenkomst feitelijk door de werkgever is opgezegd, hetgeen volgens werknemer zou volgen uit de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Ten tweede stelt werknemer dat er voor de werkgever op grond van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW, op een werkgever een verplichting rust een werknemer te wijzen op diens recht op een transitievergoeding.

Naar het oordeel van de kantonrechter stond vast dat er tussen partijen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en dat werkgever om die reden in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd is. Doorslaggevend voor het oordeel van de kantonrechter in deze kwestie was de benaming (“vaststellingsovereenkomst 7:900 BW”) en de vormgeving van de tussen partijen gesloten overeenkomst, die erop wezen dat het om een vaststellingsovereenkomst ging en niet om een opzegging door de werkgever, waarmee door ondertekening van de overeenkomst, door de werknemer is ingestemd.

Ten aanzien van de tweede grondslag van de werknemer, oordeelde de kantonrechter dat er voor de werkgever geen algemene spreekplicht geldt op grond van goed werkgeverschap om bij de onderhandelingen omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst te wijzen op mogelijke aanspraken op een transitievergoeding.

U kunt de volledige uitspraak terugvinden op: http://www.recht.nl/rechtspraak/?ecli=NL:RBMNE:2015:8803

Al voor de datum van inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid, bestond de mogelijkheid dat werkgever en werknemer kwamen tot een beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Door partijen werden de afspraken hierover dan vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst (een vaststellings- of beëindigingsovereenkomst). In artikel 7:670b BW is hierover één en ander bepaald.

Na 1 juli 2015 bestaat tevens de mogelijkheid dat de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt en dat de werknemer hiermee schriftelijk instemt. Let op: tussen deze beide varianten zit een belangrijk juridisch verschil, namelijk dat bij de beëindiging met wederzijds goedvinden de werkgever aan de werknemer in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd is en bij de opzegging door de werkgever met instemming van de werknemer wel.

Voor meer informatie over de verschuldigdheid van de transitievergoeding bij een beëindiging met wederzijds goedvinden of opzegging, kunt u met mij contact opnemen.

Mr. M.A. Ploemen
 

Actualiteiten
<  Terug naar nieuwsoverzicht
Deel dit bericht op Facebook