Actualiteiten


Wordt een beperkte gemeenschap van goederen standaard?

Ons huidige systeem waarbij algehele gemeenschap van goederen de norm is dateert nog van ver vóór 1957. Grofweg gezegd houdt dit systeem van artikel 1:94 lid 2 BW in, dat als je trouwt zonder (vooraf) huwelijkse voorwaarden te laten opstellen, er een zogenaamde `gemeenschap van goederen` ontstaat.

Een gemeenschap van goederen betekent, dat alles wat je hebt op het moment van trouwen gemeenschappelijk wordt, zowel de baten als de lasten, dus niet alleen alle goederen maar ook alle schulden. En ook alles wat er tijdens het huwelijk bijkomt of afgaat aan baten of lasten, is gemeenschappelijk. Dat kan lastige en onwenselijke situaties opleveren. Bijvoorbeeld als één partner schulden heeft. Na het huwelijk wordt de ander ineens voor de helft draagplichtig.

De kamerleden Berndsen (D66), Van Oosten (VVD) en Recourt (PvdA) willen een aanpassing van deze gemeenschap van goederen. Zij dienden op 11 juli 2014 het Wetsvoorstel beperking gemeenschap van goederen in (wetsvoorstel 33987), omdat:
“Toekomstige huwelijkspartners vinden het vaak niet meer dan vanzelfsprekend dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen opgebouwd bezit van voor en tijdens het huwelijk. Trouwen in een beperkte gemeenschap van goederen is inmiddels de gangbare praktijk. De wet moet daarop aansluiten.”

Het initiatiefvoorstel voorziet in een belangrijke beperking van de al sinds 1838 bestaande algemene gemeenschap van goederen en sluit daarvan uit voorhuwelijks, geërfd en geschonken vermogen.
Het voorstel heeft de navolgende twee kernelementen:
1. Een beperkte gemeenschap van goederen wordt de nieuwe standaard van het    huwelijksvermogensrecht.

Het nieuwe artikel 1:94 lid 2 aanhef en letter a BW bepaalt – samengevat- dat het voorhuwelijks vermogen, giften en erfenissen voortaan privévermogen blijft en niet gemeenschappelijk wordt in geval van een huwelijk. Aanbevelingswaardig is dat er een deugdelijke administratie wordt bijgehouden door beide echtgenoten.

Nieuw is ook de ten opzichte van de uitsluitingsclausule spiegelbeeldige “insluitingsclausule” (artikel 1:94 lid 3 letter b nieuw BW). Deze maakt het mogelijk dat een schenker of erflater kunnen bepalen dat na te laten goederen of schenkingen wél in de gemeenschap kunnen vallen.

Ook nieuw is het bepaalde van artikel 1:95a nieuw BW. Dat bepaalt dat een ‘redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid’ die een echtgenoot voor de privé- onderneming heeft aangewend, ten bate van de gemeenschap komt voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van de beiden echtgenoten komt of is gekomen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de - volgens de regeling onwenselijke situatie- dat de waardeaangroei van voorhuwelijks ondernemingsvermogen ten gevolge van arbeidsinspanningen van de echtgenoot/ondernemer, in het geheel niet in aanmerking wordt gekomen.

In veel gevallen, zeker wanneer ondernemingsvermogen in het geding is, is de gang naar de notaris voor toekomstige echtelieden een must. Dat geldt ook voor het geval dat men kiest voor de algehele gemeenschap van goederen of als men juist alle aanbrengsten – dus ook ieders aandeel in de gezamenlijke woning en het daarin neergelegde eigen vermogen, rekening houdend met de beleggingsleer – privé wil houden.

2. De beperking van de positie van schuldeisers.

In het huidige regime kunnen schuldeisers – in geval van een algemene gemeenschap van goederen- zich verhalen op de gemeenschap, ook al betreft het een privé-schuld van één van de echtgenoten. Deze positie van schuldeisers wordt in het wetsvoorstel met een viertal maatregelen teruggebracht:

a. Aanwijsrecht voor gemeenschapsschulden (ex artikel 1:96 lid 2 nieuw BW): voor een in de gemeenschap gevallen schuld van een echtgenoot kunnen de eigen goederen van de echtgenoot niet worden uitgewonnen, indien hij de goederen van de gemeenschap aanwijst, die voldoende verhaal bieden.

b. Beperkte draagplicht regeling bij een negatief saldo bij ontbinding van het huwelijk (1:100 lid 2 nieuw BW): als de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn bij ontbinding van het huwelijk om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze door beide echtgenoten gedragen, tenzij uit de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden- een andere draagplicht voortvloeit.

c. Beperking van het verhaal door privéschuldeisers op de gemeenschap (ex artikel 1:96 lid 3 nieuw BW): privé schuldeisers kunnen zich – voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld- slechts verhalen op de helft van de opbrengst uit het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. In verband daarmee is het nieuwe overnemingsrecht ontstaan. De andere echtgenoot kan het goed waarop de schuldeiser verhaal zoekt, overnemen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit zijn eigen vermogen. Vanaf dat moment behoort het goed toe aan deze echtgenoot en valt het niet in de gemeenschap.

d. Artikel 61 Fw, dat bepaalt dat in geval van een faillissement de echtgenoot van de schuldenaar alle goederen kan terugnemen die hem toebehoren (deze vallen dan niet in de gemeenschap), wordt aangeschaft. Dit betekent dat echtgenoten niet hoeven te administreren. Daarover is men het wel eens, maar niet administreren heeft na zeven jaren fatale consequenties. Het is op 14 april 2016 in de Tweede Kamer besproken: banken schonen hun bestanden na zeven jaar op en bij elektronisch bankieren zelfs na 15 maanden. Als de bonnetjes, al dan niet per ongeluk en door wie dan ook, na een periode van zeven jaar zijn weggegooid, ontstaat de algehele gemeenschap van goederen. (art. 1:94 lid 8 nieuw BW).

Bij de overgang van een gehele gemeenschap van goederen naar een beperkte gemeenschap van goederen is besloten voor een eerbiedigende werking. Dit betekent dat het nieuwe systeem met een beperkte gemeenschap van goederen alleen van toepassing is op huwelijken gesloten na de inwerkingtreding van deze wet.
Wanneer en of het wetsvoorstel daadwerkelijk in werking zal treden is nog niet duidelijk en zal de tijd moeten leren. De verwachting is dat het op 1 januari 2017 in werking zou treden. Op dit moment buigt de Eerste Kamer zich over het wetsvoorstel.
Als u trouwplannen heeft voor 2017, laat u dan goed adviseren. Ik houd u op de hoogte en voor vragen kunt u bij mij terecht.
 

Mevr. mr. M.A. (Mayke) Ploemen
 

Deel dit bericht op Facebook